Teksten oud jaar

01 januari 2018

Toen daalde grote vrede neer.  Marcel Messing

Toen daalde de grote vrede vanuit de onmetelijke hemelen op moeder aarde neer. En licht en liefde verscheurden het gordijn van duisternis en haat. Vanuit het noorden straalden rechtvaardigheid en saamhorigheid, vanuit het zuiden mededogen en genegenheid, vanuit het oosten wijsheid en waarheid vanuit het westen kracht en glorie. De wijnstok van de levende wet werd opnieuw in de tuin der mensen geplant tot geluk en vrede van alle schepselen. En de vermoeide kusten van de gekwelde aarde werden overspoeld door golven van vreugde. In de akkers van lijden en verdriet werden voren van liefde getrokken om het zaad van waarheid te ontvangen en duizendvoudig tot bloei te brengen. En het goddelijke vuur werd in de harten van alle mensen ontstoken, werd tot een vlammenzee van liefde en geluk. De kinderen van de aarde namens afscheid van hun wapenen, herstelden wouden en bossen, zuiverden lucht en water, genazen de aarde van haar pijn. De grote vrede spreidde haar handen vol barhartigheid uit over de gehele aarde, vaagde met één vinger het hele verleden weg en schreef met tedere woorden van liefde: vrede…….vrede…..vrede………

Jan van Ruusbroec

Jij die in mij woont                                        

met de kracht als van een opspuitende

bronwel,

vol sprankelend, leven gevend water.

 

Ik heb het tot mijn schade en schande

– klaargekregen –

om jaar na jaar stenen te verzamelen

en daarmee de bronwel in mij te begraven

onder puin en gruis en drukdoenerij.

Ik moet Jou weer opgraven in mij,

opdelven in mijn diepste diep,

het schilderijtje van mijn wezen, mijn gelaat

grondig laten restaureren van jarenlang vuil.

Jij hebt er Jouw gezicht in uitgetekend,

daar waar Jij verblijf houdt, diep in mij.

 

Wanneer krijg Jij het klaar

om Jouw beeltenis in mijn wezen

weer van blijdschap te laten stralen

in dat verfrissend, opspattend bronwater,

diep, heel diep in mij verborgen?

 

Kom, trek me naar binnen,

blijf kloppen aan de poort

want ook mijn oren zijn doof geworden,

blijf schijnen in de nacht

want de blindheid van mijn ogen is bijna totaal.

Kom, delf op mijn ware gelaat, maak mij mooi,

maak van mij Jouw liefste mens.

 

Ik kan niet meer zonder Jou,

Jij die woont in mij,

opborrelende Minne-kracht,

wassend water dat leven doet.

Kom, leef Je uit in mij.

 

Dag 56 uit ‘ 365 Wonderdagen’’ van Marianne Williamson
Als ik besef wie ik werkelijk ben, beschik ik over de macht van een kind van God
Niet zozeer wat ik doe, maar wie ik ben zorgt ervoor dat ik over macht beschik. Mijn macht komt niet voort uit een wereldse bron, maar uit God.
Als ik me elke dag ontspan in de wetenschap dat God mijn spirituele bron is, wordt mijn ware identiteit aan mij onthuld.
Ik aanvaard de waarheid over mij, namelijk dat ik thuis ben in God, en hier komt vervolgens al het goede uit voort. Elke gedachte, elk gevoel en elke handeling wordt verlicht door het licht en de glorie van God.
Ik kom tot rust want ik weet dat ik waardevol ben. Daar hoef ik niets voor te doen. Ik ben in God, zoals God in mij is. Ik vind stilte en kracht in het besef dat dit zo is.

Tijd en haast   Henk Harmsen

Er was een tijd, dat tijd nog eeuwigheid was, dat haast en tijd niet gescheiden waren, dat mensen het geluk nog in zichzelf vonden.

Tot er op een dag iemand, zo maar godverloren, zei: ‘Daar, daarbuiten, daar is het onuitspreekbare, het doel waarnaar wij allen zouden moeten streven.’ En voor het eerst zocht er een mens het geluk buiten zichzelf. Dat was de dag waarop haast van tijd gescheiden werd. Haast ging mee op de zoektocht naar verre oorden, maar tijd bleef in de harten van de mensen wonen.

Haast voelde zich alleen en werd bang. Wie bang is, zoekt soortgenoten en als die er niet zijn dan maak je ze. Haast fluisterde de mensen in dat ze zich niet konden permitteren om urenlang, dagenlang, of erger, een leven lang zomaar gelukzalig op hun krent te blijven zitten. ‘Je moet werken, je moet opschieten, je hebt nog maar weinig tijd, zo bereik je nooit het onuitspreekbare!,’ bezweerde ze de mensen.

Tijd, als altijd, zweeg en liet haast rustig begaan.

Steeds meer mensen begonnen sneller te lopen en na een tijdje begonnen velen zelfs te rennen. Ze raffelden hun taken, die ze eerst zo zorgvuldig en aandachtig hadden uitgevoerd, gedachteloos af en wierpen zich daarna direct weer op een volgende taak. Altijd bleef de horizon ver van hen verwijderd. De mensen werden er moedeloos van. Wie moedeloos is, ziet niet meer de noden van anderen, omdat de eigen last al zo zwaar is. De mensen hadden geen tijd meer voor de ander. De ander werd een vluchtige notitie in een veel te druk bezette agenda: een lunchafspraak waar gesproken werd met volle mond, begeleid door rinkelende telefoons, rokende asbakken en harde muziek.

Tot er op een dag iemand, bij toeval misschien, tijd in zijn hart vond, die zich daar zo stilletjes al die tijd had opgehouden. Tijd voelde als een verkwikkende regen na een dorre en dorstige zomer. Tijd sprak niet van ginder, maar van hier, niet van morgen, maar van nu. Tijd had alle tijd van de wereld en ook haast moest toegeven dat als een mens tijd zou hebben deze zich inderdaad een ander mens zou voelen. ‘Maar,’ predikte zij vol vuur, ‘die luxe hebben we niet: we hebben geen tijd, we moeten verder!’

Gelukkig zagen steeds meer mensen in dat tijd zich al die tijd gewoon in hun hart had bevonden en ze namen de tijd en gaven hem weer een belangrijke rol in hun leven. Daardoor verloren ze de angst om te laat te komen. Ze waren niet meer bang dat het leven ongemerkt en ongebruikt aan hen voorbij zouden gaan. Ze waren niet meer bang om alleen te zijn en ze hervonden de ander en zagen diens noden en lenigden die zoveel als ze konden.

Slechts heel af en toe was er nog iemand die zich haastte. Maar gelukkig was er altijd iemand die hem dan in de armen sloot en heel veel tijd voor hem nam.

 

Kind van twee culturen

Zo blij, zo vrolijk, zonder zorgen
zo was mijn prille levensmorgen
De toekomst leek een mooi gedicht
Schitterend in helder zonlicht
Maar ik besefte nog niet, dat dit niet eeuwig zou duren
Ik besefte toen nog niet: Ik ben een kind van twee culturen

De oorlog – de bezetting – het leken wrede, boze dromen
Zo onverwacht in mijn zorgeloos bestaan gekomen.
Maar ondanks de verschrikkingen en grote zorgen
Bleef ik hopen op de nieuwe dag van morgen.
Op de terugkeer van het leven van voorheen, zonder deze enge muren
Ik besefte toen nog niet : Ik ben een kind van twee culturen

Toen kwam de vrede en daarna Indonesië’s vrijheidsstrijd
Dit laatste kwam voor mij totaal onvoorbereid.
Ik begreep het niet; ik bleef steeds hopen op het leven van voorheen.
Maar er sloop twijfel in mijn hart en ik voelde mij angstig en alleen
En ondanks de verbitterde gevechten, wankelend tussen ongenadig vuren
Besefte ik nog altijd niet : Ik ben een kind van twee culturen.

Toen was alles plotseling voorbij en wij moesten gaan
Verstrooid als snippers in de wind, naar landen, heel ver hier vandaan.
En toen in Holland – die eerste winter – die bittere kou
Toen begon ik te beseffen, hoeveel ik van mijn Indië hou
Ik voelde mij beklemd, verward, nooit eerder kende ik zoveel donkere uren
En heel langzaam drong het tot mij door : Ik ben een kind van twee culturen

Maar ik ging moedig verder en ik paste mij tenslotte aan
Ik kreeg vrede met dit nieuwe land en met dit nieuwe bestaan.
Ik heb mijn bestemming nu gevonden, maar .
waarom voel ik steeds dat onbestemd verlangen
Dat onvervulde heimwee, dat in mijn hart is blijven hangen …
Nu, in de winter van mijn leven, in veel intens doorleefde uren
Besef ik goed : Ik ben een kind van twee culturen.

G.Stern-Dossin

 

muziek : to the children Denean



Deel dit artikel





Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


Zoeken


Nieuwsbrief


Blijf op de hoogte en schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

E-mailadres