25 april Mignon van Bokhoven

25 april 2021

 

Overweging

Welkom ook namens mij, Mignon van Bokhoven, ik ben voorganger bij de vrijzinnigen in Renkum en geestelijk verzorger in verschillende verpleeghuizen in Brabant en vandaag hier te gast in de Ontmoeting in Bennekom.

We bevinden ons in een bijzondere tijd. In het kerkelijk jaar heet dit de vierde zondag van Pasen. Zondag Jubilate. De zondag van het zingen. We zijn midden in de Paastijd. Het is niet de vierde zondag na Pasen, maar de vierde zondag van Pasen. Dit is de echte Paastijd. Niet de supermarktpaastijd. Die ligt voor Pasen, als de rekken vol liggen met mooie gekleurde chocolade-eitjes en paasbroden. Ik zou ze nu willen kopen. Nu het nieuwe leven vieren. Genieten van lekkers, de rijkdom van het leven ervaren.

Pasen stond dit jaar in het teken van ont-luiken. Van naar buiten gaan. En tegelijkertijd was Pasen ook het uithouden van de duisternis. Het lege graf inkijken en zien dat de weg naar het licht vaak door het donker heen gaat. Zoals in de Paasviering hier in Bennekom werd verteld: Maria kijkt het lege graf in en begrijpt het niet. Weet niet wat het betekent. Pas als ze zich omdraait, kan ze het licht weer zien. En dan volgt een behoedzame ontmoeting met de opgestane en herkent ze Jezus..

Met zonder jas. Is het thema van deze viering. De vrolijke vragende kinderwoorden: mogen we met zonder jas naar buiten? Het zo bijzondere van de eerste lentezon. Armen, benen, wangen willen de warmte voelen, willen de wind voelen. Ook als is het nog met kippenvel en met een vestje van vorig jaar dat eigenlijk te klein geworden is, de dunne witte armen er net teveel uitgestoken. Maar: met zonder jas. En met zin om te springen en zin om te rennen.

Deze zondag heet zondag Jubilate. Je hoort wel wat het betekent. Er klinkt gejubel en gezang. En deze zondag is genoemd naar de liederen uit de bijbel, de psalmen. Zing voor de Heer een nieuw lied. In kinderwoorden zou het zo kunnen klinken (Peer Verhoeven):

Zingen en spelen, spelen en zingen –  ik doe niets liever.

Zingen voor God, schepper van hemel en aarde –  ik kan het niet laten 

Hij vraagt er om en luistert.

De zee en alle vissen in het water vallen mij bij;
de aarde en al wat adem heeft doet met me mee;
beken en bergen bronnen en bomen stemmen in.

Allen groeten God en die luistert, Ik weet het zeker.

 

 Jubilate Deo

 Jubilate Deo, omnis terra. Servite Domino in laetitia. Halleluja halleluja

Zing voor de Heer, heel de aarde. Dien God met vreugde, halleluja, halleluja

 

Vorig jaar rond deze tijd waren we in de eerste lock-down. Het was allemaal spannend en onbekend. We waren op onze hoede. En tegelijkertijd weet ik nog dat we fantasieën hadden  over hoe het zou zijn als we allemaal weer uit de huizen tevoorschijn zouden komen. We bedachten feesten en omhelzingen, we fantaseerden over lange tafels met taart en champagne en we zouden elkaar kussen en vasthouden en nooit meer loslaten.

Maar het bleek allemaal zo anders te gaan. Dat grote feest van hereniging dat werd een voorzichtige zomer met hooguit 1,5 meter etentjes, gereserveerde stoeltjes op het terras en ook hier in de Ontmoeting, dat wel, maar met afstand houden, zonder zingen, zonder koffie.

Inmiddels is dat visioen van feest wel heel ver weg. De dubbelheid en tegenstellingen lijken de overhand te krijgen. Met zonder jas geeft ook iets aan van de dubbelheid van deze tijd. Met jas? Zonder jas? Wel versoepelingen, geen versoepelingen. En geeft iets aan van de beslissingen waar veel mensen mee te maken hebben. Wel samenkomen, niet, toch uitstellen. Live vieren, opnames. Tot een week geleden maakte ik twee scenario’s. Een onrustig hoofd kreeg ik ervan. Niet alleen hier, maar ook in Renkum, in mijn werk in het verpleeghuis. Wel bij elkaar, niet. Onder welke voorwaarden. En nu dus hier. Met zonder u. Deze ruimte moet het doen zonder u, maar deze viering is met u, met jullie, met elkaar.

In de hoop dat we binnenkort uit onze huizen komen en elkaar weer ontmoeten. Het zal een wonder zijn. En we zullen opnieuw liederen zingen.

 

Dit is een morgen als ooit de eerste (Liedboek 216)

Dit is een morgen als ooit de eerste,
zingen de vogels, geven hem door.
Dank voor het zingen, dank voor de morgen,
beide ontspringen nieuw aan het woord.

Als we de deuren net weer openen en op pad gaan is dat bruisende feest nog ver weg. We zijn nu al zo lang binnen. De winter duurt zo lang en we zijn zo op onszelf aangewezen. De huid is dunner geworden. En over naar buiten worden we steeds voorzichtiger. Behoedzamer. Maar de periode van Pasen geeft ons tijd. Vijftig dagen tot Pinksteren. We mogen de tijd nemen. Laten we langzaam weer tevoorschijn komen. Er is veel gebeurd in de afgelopen tijd. Met ieder van ons. Laten we elkaar de ruimte geven, de verhalen van gebrokenheid mogen verteld worden. We mogen elkaar opnieuw leren kennen. We komen een beetje als nieuwe mensen tevoorschijn. Jij en ik. Maar voorzichtig.

Mevrouw Julia doet de ramen open
en ze weet geen woord voor de lucht die haar wangen aanraakt
en de zon heeft de kleur van honing
en ze weet
vandaag gaat het gebeuren
en ze denkt
maar eerst blijf ik nog even staan.

(Tjitske Jansen. Uit ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen’, 2003)

Mevrouw Julia doet de luiken open. Voorzichtig. Aftastend. Ze blijft eerst nog even staan. Ze aarzelt, kijkt het nog even aan. Weet niet hoe het buiten zal zijn, heeft er nog geen woorden voor. Geen woord voor de lucht die haar wangen aanraakt.

Raak me niet aan, zegt Jezus wanneer Maria hem herkent in de tuin. Raak me maar even niet aan. Leer me eerst maar kennen in de nieuwe gedaante die ik nu ben. Ik ben in het donker geweest, het was stil, het was eenzaam en alleen. Maar ik ben er doorheen gegaan. Ik durf het licht weer te zien. Ik ben er weer. Maar kwetsbaar. Wees voorzichtig met me.

Wek mijn zachtheid weer (Liedboek 925)

Wek mijn zachtheid weer, geef mij terug de ogen van een kind.

Dat ik zie wat is en mij toevertrouw, en het licht niet haat.

Ik sta hier zonder mantel, die heb ik van me afgelegd. Open en bloot ga ik de wereld in. Met een naakte ziel. Het is een waagstuk. Maar de wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Wonderlijk

De wonderen zijn de wereld lang niet uit de goedheid uit het graf gewekt

de amandel in het voorjaar  de liefde tegen de keer

de kastanje pronkend honderdvoud het helende gebaar

de herfstgloed over het woud

De wonderen zijn de wereld nog niet uit  de doden uit hun slaap gewekt

ontembaar zaad in de voren de zachte krachten

de stille maan in nacht en nevel steeds opnieuw worden geboren

de donderslag bij heldere hemel

de wonderen zijn de wereld lang niet uit de muze uit de chaos verwekt

vogelzang langs ochtenddreven belangeloze solidariteit

ijskristallen op het vensterglas

zeven maal zeventig vergeven  de levensboom die ooit tronk was

de wonderen zijn de wereld lang niet uit de liefde niet en het gemin

de wonderen zijn de wereld lang niet uit  jij niet en ik evenmin

(gedicht van Hans Waegemakers)

 

 Dag voor dag (Zangen van zoeken en zien 510)

Geniet maar van de zonverlichte uren

de wonderlijke alledaagsheid van bestaan

leef in het nu, dat levenslang kan duren,

laat wat je zelf niet kunt veranderen toch gaan.

 

Er is een weg, die ons naar goed zal leiden,

een inzicht dat zich losmaakt van benauwd bestaan,

een diep vertrouwen, dat voor ingewijden

het leven rijker maakt, dat mensen op doet staan.

 

Met zonder jas gaan we zo meteen naar buiten. Verlangend naar zon op de armen en wind op de wangen. Op zoek naar de kleur van honing.

           

Zing de hemel open Laat het wonder toe

Wees voorzichtig met jezelf En lief voor de ander

Ga met de wind En de zon op je wegen

Met de zegen van de Eeuwige

Amen

 

 

 

 

 



Deel dit artikel