5 juli Henk Harmsen

05 juli 2020
Liefde



Openingstune

Inleiding – over de liefde

Lied X105 Een veertje in de wind

Ooit was ik jong sprak als een kind dacht als een kind en redeneerde als een kind naar mate dat ik ouder werd vervloog mijn onschuld als een veertje in de wind ik kom tekort ik weet niet meer wat ooit volmaakt was lijkt nu schromelijk beperkt dreunende gong schelle cimbaal zo ben ik dan dit onbestemde instrument waar is het kind dat ik ooit was? dat kent zoals het zelf ook wordt gekend, mijn kind door geen geloof of hoop bedrukt is licht als liefde, als een veertje in de wind al was ik ook de grootste held al wist ik alles van wat er te weten valt maar had ik toch de liefde niet was al mijn doen en spreken protserig gebral een spiegelwaas ooit oog in oog zie nog slechts flarden van die grote helderheid ik hoor haar roep ik zie een kind de lange weg naar huis die naar bevrijding leidt waar is het kind dat ik ooit was? dat kent zoals het zelf ook wordt gekend, mijn kind door geen geloof of hoop bedrukt is licht als liefde, als een veertje in de wind

Meditatie

Over fake News

Lied X61 Geloof niet

Geloof niet dat een mens op water loopt, wat is dat waard? loop met aandacht op het land! geloof het niet dat jij een berg verplaatsen moet, wat is dat waard? de bergen horen waar ze staan; als je gelooft geloof dan slechts in de liefde geloof niet ‘vreemd moet wel gevaarlijk zijn’, bekrompen zicht: wij zijn vreemden voor onszelf, geloof niet dat geweld een vaardig antwoord is en mis de vraag niet die er aan ten grondslag ligt; zonder geloof vaart ieder wel met de liefde de liefde: open aandacht voor elkaar; de liefde leeft, legt de wereld in mijn hand; zij gaat op weg en neemt me met haar mee, ik weet zij is de weg, de waarheid heel mijn leven lang; al wat ik hoop wat ik geloof is de liefde

Over de liefde

Verhaal: Op het woele wijde water

Toen God na vele aardse omzwervingen weer thuis kwam, stond Satan al bij de deur op haar te wachten. ‘Waar bleef je nou?,’ mopperde hij.‘Gewoon,’ zei God, ‘Ik was bij de kinderen.’ ‘De kinderen!,’ schamperde Satan, ‘Altijd maar weer die kinderen. Wanneer kom ik eens aan de beurt?’ God glimlachte met een glimlach waarbij zelfs Satan moeite had zijn slechte humeur te behouden. ‘Vroeger,’ probeerde Satan nog, ‘zonder de kinderen, hadden we samen een eeuwigheid. En daar hadden we genoeg aan!’ Met weemoed dacht Satan terug aan hun gelukzalige verbondenheid van destijds. Daar was een abrupt einde aan gekomen toen God op het onzalige idee kwam dat ze graag kinderen wilde. Het gezicht van Satan betrok al weer. ‘Nou hoe gaat het me ze?,’ vroeg hij gemaakt vriendelijk, ‘Maken ze elkaar het leven nog steeds zo zuur?’ Hij kon een lichte grijns niet onderdrukken, want de kinderen waren zeker geen voorbeeldkinderen. In feite was de hele schepping die God gebaard had duidelijk een mislukking. Het ene dier vrat het andere, er waren natuurrampen, epidemieën en het allerergste waren die mensen, die God nota bene haar lievelingskinderen noemde. Wat een narigheid ontstond er in de hoofden van die wezens: oorlog, onderdrukking, leed, pijn. Satan was alweer even humeurig als op het moment dat God thuiskwam. ‘Heb je het eten klaar, liefste?,’ vroeg God, ‘Ik sterf van de honger.’ ‘Ik heb je lievelingseten gemaakt:,’ bromde Satan, ‘een heerlijk reukoffer en een brandoffer. Maar omdat jij zo laat bent, is de hele boel natuurlijk al lang verpieterd.’ Hij schepte de hemelse spijze op en God nam die met groot genoegen tot zich. ‘Het is heerlijk, liefste,’ zei ze, ‘Daar heb je echt je best op gedaan.’ ‘Dat kun je van die kinderen van jou niet zeggen,’ pareerde hij, ‘die doen nooit eens ergens hun best op!’ Tsjakka. Die was raak, dacht Satan. Hard maar rechtvaardig, het moest maar eens gezegd worden. God nam de koude hand van Satan in haar warme handen. ‘Wat weet jij daar nou van, jochie?,’ fluisterde ze liefdevol. Nee, niet op die manier, dacht Satan. Daar kon hij niet tegen, dat wist ze. Dit was de manier waarop hij altijd het gevoel had van haar te verliezen. ‘Het is toch zo,’ stotterde hij. God keek hem liefdevol aan. ‘Ach jochie,’ zei ze zacht. Zo zacht. Het leek of dat haar stem uit zijn hart kwam en heel teder al zijn verstijfde ledematen ontspande. ‘Was jij ooit in een huis, waar net een baby geboren werd? Heb jij ooit de vreugde, de tranen, de onmetelijke liefde gevoeld van ouders voor hun hulpeloos kind? Was jij ooit aanwezig op het moment dat twee mensen elkaar liefde beloofden? Dat zij elkaar kusten en jij op de golven van hun vreugde weg kon dobberen: zover als de eeuwigheid? Mensen zijn zo intens…; zowel in haat als in liefde.’ God zuchtte. Toen vervolgde zij: ‘Dat hebben ze van jou, schat. Je weet dat ik dat ook zo fijn vind bij jou.’ Satan kleurde. Wat ongemakkelijk keek hij weg van God. ‘Maar het is allemaal zo zinloos,’ begon hij. ‘Alles is tijdelijk. Een bloem komt op en vergaat – niemand weet meer dat ze er ooit is geweest. Een mens wordt geboren, leeft en sterft – niemand kan zich op den duur nog deze persoon herinneren. Waarom heb je een schepping gebaard, waarin het lijden zo’n prominente rol heeft? En waarom laat je die schepping zo verschrikkelijk alleen?’ God moest lachen. ‘En net vond je nog dat ik te veel tijd besteedde aan mijn kinderen.’ Zij trok hem mee naar het raam. ‘Kijk nou zelf, liefste,’ drong ze aan. Satan keek uit het raam naar de wereld. ‘Wat zie je?,’ vroeg God. ‘Ik zie een oma, die zich huilend over haar stervend kleinkind uitstrekt.’ ‘Wat zie je nog meer?’ ‘Ik zie twee kinderen die stil bij het bed van hun stervende moeder zitten.’ ‘Kijk nog eens goed,’ drong God aan. Met weerzin keek Satan nog een keer. Hij vond het verschrikkelijk. Wat haatte hij die rotziektes. Plotsklaps herkende hij de stervende moeder: het was God. Hij keek en zag hoe ze liefdevol de handen van haar kinderen nam. Hij hoorde haar zingen en neuriën:

Op het woele-wijde water

aan de over-zijde van de zee

op de golven in de branding

zie ik jou terug

Hij keek naar de twee hulpeloze kinderen en herkende ook daarin zijn geliefde. Hij keek naar het grote kapotgeslagen Afrika, luisterde naar de paradijselijke vogels, voelde de warme aarde. Het was allemaal God. Zijn geliefde had niet alleen haar schepping gebaard, ze was zelf deel van die schepping geworden. Er was niets waarin God niet aanwezig was. Op de hoogste berg, in het diepste dal, ja overal was God. Hij nam God in zijn armen en drukte haar dicht tegen zich aan. Lang. Misschien wel een eeuwigheid. ‘Ga jij maar lekker uitrusten,’ zei hij toen, ‘ik doe de afwas wel.’

Lied X24 Op het woele wijde water

Een klein verhaaltje

Verhaal: De oude man en God

Toen de oude man geboren werd, nam God hem in haar armen en wiegde hem liefdevol. Zij zong slaapliedjes voor hem als hij ’s nachts huilend wakker werd, voedde hem, verschoonde hem en was altijd rondom hem aanwezig. Overdag legde ze hem in een kinderwagen zodat hij uren naar de wolkenloze hemel kon kijken. Toen de oude man opgroeide, speelden hij en God samen diefje met verlos of voetbal of ze lagen samen op hun rug uren lang te kijken naar de wolkenloze hemel in een bed van korenbloemen. Toen de oude man een puber werd, kregen ze hun eerste ruzie. God had het over ‘verantwoording’, maar de oude man wees dat resoluut van de hand. God had het over ‘rekening houden met’, maar daar wilde de oude man niets mee te maken hebben. De lucht was bewolkt, maar de oude man had sowieso geen tijd om te kijken. Daarna, als jong volwassene, kwam de grote liefde. Voor de oude man was er maar een en dat was God. En God was altijd rondom hem heen. Ze zeiden niet veel, ze wisten wat de ander dacht. Ze kenden de ander door en door. ’s Nachts lagen ze uren lang naar de sterren te kijken aan een wolkenloze hemel, in een korenbloemenbed. Op een dag, de oude man was net de twintig gepasseerd, kwam God niet thuis. De oude man maakte zich zorgen en ging op zoek naar haar. Onderweg zag hij een meisje, zo mooi. Hij keek naar haar en zij naar hem, en hij ging nooit meer naar huis terug. De oude man en het meisje kregen kinderen. Toen de kinderen het huis uit waren, werd het meisje ziek en stierf. Dagen, jaren gingen voorbij. Heel langzamerhand werd de oude man een oude man. En op een dag stond God voor de deur. Ze zeiden niets. Er waren geen vragen, geen verwijten. Elke dag zaten ze voor het huisje, hand in hand en keken naar een wolkenloze hemel. Toen de oude man stierf, nam God hem in haar armen, wiegde hem liefdevol en bracht hem thuis.

Lied X78 De maatslag van je hart

Als alles zwijgt en stilte spreekt – eindelijk houdt het op: dat steeds maar doen alsof – dan klinkt jouw stem noem jij mijn naam fris als een lenteregen, sprankelend als dauw eindeloos, eindeloos vul me met je woorden, liefste, eindeloos met je adem ik voel nog de maatslag van je hart die naam van jou ‘ik zal er zijn’ ben jij er ook als alles om mij heen verdwijnt? als ik alleen de kust verlaat ben jij de oceaan die troostend mij omhelst? ademloos, ademloos draag me door de branding, liefste, ademloos in je armen ik leef op de maatslag van je hart



Deel dit artikel





Video

Bekijk opnames.

Zoeken


Nieuwsbrief


Blijf op de hoogte en schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

Een robot (of spam-script) Een mens
Volledige naam E-mailadres